Zo dik is de aardkorst gemiddeld op de continenten. Niet dat ooit iemand zo ver is geweest.
De diepste mijn is 2,7 kilometer, en de diepste boring 12 kilometer. Een probleem is dat het op grotere diepte steeds warmer wordt. De temperatuur stijgt zo'n 20 graden per kilometer.
Een tunelgraver moet dus na 3 kilometer een hitte bestendig pak aan. Na de korst is het onmogelijk verder te gaan. Doet onze theoretische tunnelgraver dat toch, dan stuit hij op een dunne, harde overgangslaag die de 'Mohodiscontinuiteit' heet.
Daarna komt onze doorzetter in de
mantel.
Deze laag is heet (2000 graden) en dicht, en bestaat gedeeltelijk uit
gesmolten steen, graaft hij toch verder dan zit hij echt in de problemen en
gesmolten metaal. Hier is de druk lager en de temperatuur zo hoog dat het
metaal altijd gesmolten is.
Weet ook hij dit te trotseren, dan komt hij bij de binnenste kern, een
keiharde bal die vermoedelijk bestaat uit nikkel en ijzer. De druk is er zo
hoog dat het metaal er niet smelt, ook al wordt het 3700 graden Celcius.
.